Vaak gestelde vragen over de hervorming van de wet op de aanvullende pensioenen

1. Welke rendementsgarantie moet de werkgever vanaf 1 januari 2016 garanderen?
2. Wat zijn de horizontale en verticale methodes?
3. Welke extra overlijdensdekking moet voorzien worden in geval van uittreding?
4. Vanaf wanneer kan ik voortaan mijn aanvullend pensioen opnemen?
5. Wat gebeurt er met de gunstige bepalingen die vervroegd pensioen aanmoedigen?
6. Wat wordt de eindleeftijd van de pensioenplannen?

 

Voor meer informatie, is het commerciële team beschikbaar op het
telefoonnummer 02 774 88 50.

top

 

1. Welke rendementsgarantie moet de werkgever
vanaf 1 januari 2016 garanderen ?

De werkgever is wettelijk verplicht om een minimum rendement te garanderen op alle stortingen van de werknemer en op de stortingen van de werkgever in het kader van een plan met vaste bijdragen of een "cash balance" plan. Tot 31 december 2015 was dit een vast percentage, namelijk 3,25% op de stortingen van de werkgever en 3,75% op de stortingen van de werknemer.


Sinds 1 januari 2016 wordt het rendement gekoppeld aan de marktrente. Het gewaarborgd rendement komt overeen met het gemiddelde rendement van de Belgische staatobligaties op 10 jaar, vermenigvuldigd met 65% (dit percentage kan in de toekomst veranderen). Het gegarandeerd rendement kan elk jaar variëren. Het moet echter tussen 1,75% en 3,75% liggen.


Concreet betekent dit dat de rendementsgarantie vanaf 1 januari 2016 1,75% is, zowel voor de stortingen van de werkgevers als van de werknemers. Gezien de huidige situatie verwachten we dat dit minimumtarief nog gedurende enkele jaren van toepassing zal zijn.

Het betreft een minimumgarantie die te vergelijken is met het effectieve rendement dat de aangeslotene op zijn contract zou hebben. De aangeslotene ontvangt op het ogenblik van de betaling het hoogste bedrag, ofwel de verworven reserves ofwel het minimum rendement.


top

 

2. Wat zijn de horizontale en verticale methodes?

Voor de pensioenplannen die van kracht waren voor 1 januari 2016 maakt men een onderscheid:

 


 

1. Wordt uw pensioenplan beheerd door een instelling die een rendement garandeert tot aan de pensioenleeftijd (vb.: een verzekeringsonderneming die uw pensioenplan integraal in tak 21 beheert): dan is de nieuwe rentevoet van toepassing op elke premie die gestort wordt vanaf de wijziging van de rentevoet tot aan de uittreding, de pensionering of de herroeping van het plan, dit is de "horizontale methode". Deze methode werkt met een systeem van schijven waarbij elke schijf overeenkomt met een premie of een reserve waarvan de rendementsgarantie van toepassing blijft tot aan de betaling van de prestatie.



In een groepsverzekering van tak 21 blijft de minimumrendementsgarantie dus 3,75% of 3,25% tot aan de datum van uittreding, pensionering of herroeping van het plan van toepassing op de reserves opgebouwd op 31 december 2015. De nieuwe rentevoet van 1,75% zal van toepassing zijn op de premies die gestort worden vanaf 1 januari 2016.


 

2. Als uw pensioen beheerd wordt door een pensioeninstelling die slechts gebonden is door een middelenverbintenis (bijvoorbeeld : de instellingen die pensioenplannen in tak 23 beheren - d.w.z. zonder rendementsgarantie - en pensioenfondsen), dan voorziet de wet dat de kapitalisatie, zowel van de premies gestort na deze wijziging als van de opgebouwde reserves van de gestorte premies vóór deze wijziging, zal gebeuren aan de nieuwe minimale rendementsvoet. Dit is de “verticale methode”. Ze werkt als een spaarrekening.


In een pensioenfonds of een groepsverzekering van tak 23 zal de nieuwe rentevoet van 1,75% van toepassing zijn op de opgebouwde reserves op 31 december 2015 en op de gestorte premies vanaf 1 januari 2016.

Voor de pensioentoezeggingen die worden ingevoerd vanaf 1 januari 2016:

De werkgever mag de methode kiezen en deze keuze moet vermeld worden in de pensioenregeling. Wordt er niet gekozen, dan gebruikt men de methode die geldt voor de reglementen die voor 1 januari 2016 van kracht waren.


top

 

3. Welke extra overlijdensdekking moet voorzien worden in geval van uittreding?


Vanaf 1 januari 2016 krijgt de aangeslotene die zijn werkgever verlaat een nieuwe mogelijkheid. Hij kan namelijk een overlijdensdekking genieten die overeenkomt met zijn verworven reserves als hij deze in de pensioeninstelling laat van de inrichter die hij verlaat.

De aangeslotene moet kiezen in functie van de rendementsgaranties of van de overlijdensdekking van het pensioenplan van zijn nieuwe werkgever waar hij zich bij aansluit.

De toekenning van deze overlijdensdekking zorgt uiteraard voor een overeenkomstige vermindering van de prestaties die de aangeslotene had kunnen verkrijgen bij zijn pensionering. De aangeslotene wordt op het ogenblik van zijn uittreding op de hoogte gebracht van deze nieuwe mogelijkheid, bovenop de reeds bestaande opties. Hij beschikt over een termijn van een jaar na de uittreding om voor deze nieuwe overlijdensdekking te kiezen.


top

 

4. Vanaf wanneer kan ik voortaan mijn aanvullend pensioen opnemen?

Het aanvullend pensioen zal voortaan betaald worden op het ogenblik van de effectieve wettelijke pensionering.

Het aanvullend pensioen kan enkel verkregen worden als men effectief gepensioneerd is. Het betreft een verplichte vereffening wanneer de aangeslotene zijn pensioen opneemt (zelfs voor de eindleeftijd). De term ‘eindleeftijd' staat los van het ogenblik van de vereffening van de prestaties.


De wet voorziet:
  • één uitzondering: zodra de aangeslotene de leeftijd bereikt om zijn wettelijk pensioen op te nemen en hij beslist te blijven werken, kan hij zijn vervroegd aanvullend pensioen verkrijgen, voor zover het reglement dat toelaat.
  • overgangsmaatregelen:
    • In functie van de bereikte leeftijd in 2016, kan men de vereffening vroeger krijgen (zie tabel)


    • de werknemers die ten vroegste op de leeftijd van 55 jaar ontslagen worden met het oog op de aanvang van een werkloosheidsstelsel met bedrijfstoeslag in het kader van een bestaand herstructureringsplan, mogen eveneens hun aanvullend pensioen ontvangen vanaf de leeftijd van 60 jaar als de pensioenregeling dit toelaat.

top

 

5. Wat gebeurt er met de gunstige bepalingen die vervroegd pensioen aanmoedigen?

Vanaf 1 januari 2016 zijn alle maatregelen die het vervroegd pensioen aanmoedigen verboden en nietig (vb.: een eenmalige premie storten ter vervanging van toekomstige premies, voordelige actualisatieregels,…).

Dit verbod geldt echter niet voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben op 31 december 2016.


top

 

6. Wat wordt de eindleeftijd van de pensioenplannen?

  • Voor de nieuwe pensioentoezeggingen geldt dat de pensioenleeftijd voorzien door het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niet lager mag zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd (momenteel 65 jaar).
  • Voor de bestaande pensioenstelsels geldt dat de pensioenleeftijd voorzien door het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niet lager mag zijn dan 65 jaar voor de werknemers die in dienst treden vanaf 1 januari 2019.
  • Wordt de pensioenleeftijd in een reglement gewijzigd, dan mag deze niet lager zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd.

De werknemers die een aanvullend inkomen genieten na hun vertrek op wettelijk pensioen kunnen niet meer deelnemen aan een pensioentoezegging. Er bestaan wel overgangsmaatregelen.